Slag bij Warschau 1920 – grote nederlaag van bolsjewieken
Slag bij Warschau 1920 – grote nederlaag van bolsjewieken
Het is 1920. Het Rode Leger met meer dan een miljoen troepen rukt op uit twee richtingen op richting Warschau. De Sovjettroepen vallen vanuit verschillende richtingen aan, onder meer onder bevel van Michail Toechatsjevski, commandant van het Westelijk Front. Veel buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigingen verlaten de Poolse hoofdstad. Een van de weinigen die in Warschau blijft, is de apostolische nuntius Achille Ratti, de latere paus Pius XI. Het doel van de bolsjewieken is duidelijk: Polen veroveren en de communistische revolutie verder verspreiden, eerst richting Duitsland en daarna naar andere Europese landen.
Het Poolse leger is in die periode massaal gemobiliseerd. In totaal telt het ongeveer een miljoen soldaten, waaronder een vrijwilligersleger van ongeveer 100.000 mensen. Onder hen bevinden zich veel jongeren, studenten, scholieren, maar ook oudere vrijwilligers die hun land willen verdedigen. Ook buitenlandse militaire waarnemers zijn getuige van deze gebeurtenissen. Een van hen is de jonge Franse officier Charles de Gaulle, die samen met andere Franse officieren naar Polen is gestuurd om het Poolse leger te ondersteunen en te adviseren.
De historische betekenis van de Slag bij Warschau wordt tot op de dag van vandaag vaak onderschat, zowel in Polen als in West-Europa. De Britse diplomaat Lord Edgar Vincent D’Abernon, lid van de Intergeallieerde Missie naar Polen, noemde deze slag later “de achttiende beslissende veldslag in de wereldgeschiedenis”. In 1930 schreef hij dat de moderne geschiedenis van de beschaafde wereld maar weinig gebeurtenissen kent die belangrijker waren dan de Slag bij Warschau van 1920, en tegelijk zo weinig op waarde zijn geschat. Volgens D’Abernon zou een bolsjewistische overwinning bij Warschau een keerpunt in de Europese geschiedenis zijn geweest. Met de val van Warschau zou de weg naar Midden-Europa open hebben gelegen voor communistische propaganda en een mogelijke Sovjetinvasie.
De achtergrond van het conflict
Toen het Duitse leger zich in 1918 begon terug te trekken uit de uitgestrekte gebieden in Wit-Rusland, Oekraïne en de Baltische regio, ontstond daar een politiek en militair vacuüm. Het bolsjewistische Rode Leger probeerde deze gebieden snel in te nemen en er Sovjetregeringen te installeren. Voor de nieuwe machthebbers in Rusland hoorden deze gebieden bij de invloedssfeer van het voormalige Russische Rijk, dat zij in een nieuwe, communistische vorm wilden herstellen.
Lenin en de bolsjewieken zagen de opmars naar het westen bovendien als een kans om de revolutie verder Europa in te brengen. Vooral Duitsland was daarbij belangrijk, omdat daar na de Eerste Wereldoorlog eveneens revolutionaire onrust heerste. Een verbinding met Duitsland zou de bolsjewieken een veel sterkere positie hebben gegeven. De opmars van het Rode Leger richting het westen stond bekend als de operatie “Doel Wisła”. In februari 1919 kwam het tot de eerste gevechten tussen Poolse en bolsjewistische troepen.
Deze gebieden werden ook begeerd door de herlevende Poolse staat, en de Polen zagen hun herrezen thuisland binnen de grenzen van 1772. Daarom besloot staatshoofd Józef Piłsudski, om te voorkomen dat de bolsjewieken het zouden innemen om haastig geformeerde eenheden van het Poolse leger naar posities achter de rivier Bug te sturen. Hij streefde naar de oprichting van natiestaten die een verbond zouden aangaan met Polen in het oosten: Litouwen, Wit-Rusland en Oekraïne, dat bufferstaten zouden zijn die Polen van Rusland scheiden. Het Poolse leger zou de legers van die landen ondersteunen in de strijd tegen de bolsjewieken.
Aan de ene kant herleefde de Rzeczpospolita na 123 jaar opdeling, gedroomd en voor gestreden door Polen op alle fronten van de Eerste Wereldoorlog, democratisch en als deel van het Westen beschouwd. Aan de andere kant stond bolsjewistisch Rusland, bruut en meedogenloos, die haar ware doel, namelijk de wederopbouw van het Russische rijk, verborg onder de leuzen van vrijheid voor arbeiders en boeren.
Deze oorlog ging niet over grenswijzigingen, contributies of machtsverhoudingen. De bolsjewieken wilden de tegenstander vernietigen en hem in hun politieke en staatssysteem opnemen. Vandaar het unieke karakter van dit conflict dat in wezen een oorlog was tussen twee zeer verschillende beschavingen.

Schilderij van Wojciech Kossak
De strijd in het oosten
Het Poolse leger, dat naar het oosten oprukte, bezette zonder veel problemen verschillende gebieden in Litouwen en Wit-Rusland. Piłsudski besefte dat de situatie in het oosten vroeg of laat definitief moest worden opgelost. Dat betekende volgens hem dat Rusland — zowel het rode als het witte Rusland — moest worden verslagen. Tegelijkertijd wilde hij een federatie van onafhankelijke staten oprichten die met Polen verbonden zouden zijn: Litouwen, Wit-Rusland en Oekraïne. Een aanval was daarom slechts een kwestie van tijd. Die werd onder meer uitgesteld door de onzekere situatie aan de Pools-Duitse grens.
Ook de bolsjewieken bereidden zich voor om de Poolse kwestie radicaal op te lossen. In december 1919 stelde Lenin onderhandelingen voor, maar tegelijkertijd gaf het Rode Leger zijn troepen bevel om zich naar het westen te verplaatsen. Op 10 maart 1920 namen de bolsjewistische leiders in Smolensk een plan aan om Polen te verslaan. De hoofdaanval zou in de zomer van 1920 vanuit Wit-Rusland beginnen.
Ondertussen werkte Józef Piłsudski verder aan zijn federatieplan. Oekraïne speelde daarin, vanwege haar grote potentieel, een beslissende rol. In april 1920 sloot Piłsudski een politieke en militaire alliantie met Symon Petljoera, de leider van het Directoraat van de Oekraïense Volksrepubliek. Met deze steun begon Piłsudski op 25 april 1920 een groot preventief offensief in Oekraïne. Hij wilde daarmee de bolsjewistische aanval vóór zijn. Ongeveer 60.000 soldaten trokken richting Kiev. De verraste bolsjewieken trokken zich terug zonder grote gevechten aan te gaan. Kiev, dat door de bolsjewieken was verlaten, werd op 7 mei 1920 ingenomen. Zes dagen later vond in de straten van de stad een gezamenlijke parade van Poolse en Oekraïense troepen plaats.

Over het lijk van het witte Polen…
De val van Kiev was een schok voor de Russen. De bolsjewistische propaganda begon meteen een grote campagne. Daarin werd beweerd dat het Russische moederland was aangevallen door Poolse imperialisten. Alle mannen die konden vechten, werden opgeroepen voor het Rode Leger, ook voormalige tsaristische officieren.
Op 26 mei 1920 begon het Sovjetoffensief aan het zuidoostelijke front. Het 1e Cavalerieleger van Semjon Boedjonny, dat vanuit de Kaukasus was overgebracht, brak door de verdediging van de Poolse 13e Infanteriedivisie. De Poolse eenheid leed zware verliezen, terwijl de cavalerie van Boedjonny diep achter de Poolse linies begon te opereren. De ruiters van Boedjonny stonden bekend om hun hardheid en wreedheid. Ze werden beschuldigd van het doden van krijgsgevangenen, het verwoesten van ziekenhuizen en het platbranden van steden en dorpen.
Wat er in het zuiden gebeurde, was echter nog maar een voorbode van wat de bolsjewieken in het noorden voorbereidden. Begin juli 1920 richtte de commandant van het Westelijk Front, Michail Toechatsjevski, zich tot zijn troepen met de beroemde woorden: “Over het lijk van het witte Polen loopt de weg naar de wereldrevolutie. Op onze bajonetten brengen wij geluk en vrede aan de werkende massa’s. Voorwaarts naar Vilnius, Minsk en Warschau. Mars!” Kort daarna, op 4 juli 1920, begon een groot bolsjewistisch offensief vanuit Wit-Rusland. Toechatsjevski beschikte over een enorme troepenmacht, veel sterker dan de Poolse eenheden die tegenover hem stonden. De bolsjewieken braken door de Poolse verdediging en dreven de Poolse troepen steeds verder naar het westen.
De voortdurende nederlagen en terugtochten hadden een demoraliserend effect op de Poolse soldaten, maar ook op veel officieren. In de eerste dagen van juli trokken de Poolse eenheden zich over een afstand van ongeveer 250 tot 350 kilometer terug naar het westen. In het zuiden bereikten de bolsjewieken de omgeving van Lwów. Op 10 augustus 1920 gaf Toechatsjevski het bevel om Warschau te veroveren. De weg naar de Poolse hoofdstad leek open te liggen.
Mobilisatie ter verdediging van de onafhankelijkheid
Door de bolsjewistische dreiging kwam de hele Poolse samenleving in beweging. Na de oproep om het land te verdedigen, meldden zich meer dan 100.000 vrijwilligers bij het leger. In Warschau bestond een groot deel van de vrijwilligers uit scholieren en studenten. Volgens sommige gegevens vormden minderjarige leerlingen zelfs 67 procent van de vrijwilligers in de stad. Er kwamen ook bijzondere aanmeldingen binnen, onder andere van veteranen van de Januariopstand van 1863. Niet alleen soldaten gingen naar het front. Ook kapelanen dienden bij de gevechtseenheden, en vrouwen sloten zich aan bij het Vrijwilligersvrouwenlegioen. De steun kwam dus uit alle lagen van de samenleving.
Er werd geld ingezameld voor het leger en er werden ongeveer 85.000 voedselpakketten naar het front gestuurd. Op 24 juli 1920 werd bovendien een coalitieregering van nationale verdediging gevormd. Aan het hoofd stond Wincenty Witos, een boerenleider uit Wierzchosławice. De socialist Ignacy Daszyński werd vicepremier.
De boodschap was duidelijk: niet alleen het leger, maar ook Poolse boeren, arbeiders, jongeren, vrouwen en geestelijken stonden op om de onafhankelijkheid van Polen te verdedigen.

Het Wonder aan de Wisła – de Slag bij Warschau
De bolsjewistische overwinning leek nog maar een kwestie van dagen. In Białystok wachtte het Voorlopige Poolse Revolutionaire Comité, bestaande uit Poolse communisten die door Moskou werden gesteund, op de verovering van Warschau. Het comité zag zichzelf als de toekomstige “Poolse Rode Regering”.
De leiding van het 16e Leger liet al affiches voorbereiden waarin de inwoners van Warschau met de doodstraf werden bedreigd als zij zich tegen de Sovjetautoriteiten zouden verzetten. Er zou zelfs een plechtigheid zijn gepland waarbij Michail Toechatsjevski op het centrale Kasteelplein — Plac Zamkowy — een herdenkingssabel zou ontvangen voor de verovering van Warschau.
In Europa geloofden maar weinigen dat Polen stand zou houden. In de Tsjechische pers verschenen spotprenten van Poolse edelen die op de vlucht waren voor de bolsjewieken. In Duitsland doken affiches op waarop soldaten van het Rode Leger Germania van haar boeien bevrijdden. Ook Lord Edgar D’Abernon, lid van de Intergeallieerde Missie in Polen, zag hoe ernstig de situatie was. Later schreef hij dat niets op dat moment zo zeker leek als de verovering van Warschau door het Sovjetleger. Een belangrijke steun voor de Polen was niet zozeer materieel, maar geestelijk. De houding van de Kerk speelde daarbij een grote rol. De apostolische nuntius Achille Ratti, de latere paus Pius XI, verliet Warschau niet. Door in de hoofdstad te blijven, gaf hij de Poolse bevolking en de Poolse soldaten een duidelijk teken van vertrouwen, moed en vastberadenheid.
Op 10 augustus 1920 liet de Britse premier David Lloyd George de Poolse regering weten dat de regering van Zijne Majesteit Polen aanraadde de Sovjetvoorwaarden te accepteren. Als Warschau deze voorwaarden zou afwijzen, zou Groot-Brittannië zich niet langer verplicht voelen om Polen te helpen. In het Britse Lagerhuis verdedigde Lloyd George diezelfde dag zijn standpunt tegenover de Sovjet-eisen.
Frankrijk koos een andere houding. De Franse premier Alexandre Millerand was er fel op tegen om Polen op te geven. Hij stuurde een duidelijke instructie naar de Franse diplomatieke vertegenwoordiging in Warschau: de Britse regering adviseerde Polen om de Sovjetvoorwaarden te aanvaarden, maar Frankrijk deed dat niet, omdat die voorwaarden in feite zouden neerkomen op de overgave van Polen aan de bolsjewieken.
Die Franse steun bleek onder meer uit de aanwezigheid van Franse militaire adviseurs in Polen. Onder hen bevond zich ook Charles de Gaulle, die als jonge officier de gebeurtenissen van dichtbij meemaakte. Voor zijn inzet tijdens de Pools-Bolsjewistische Oorlog werd hij onderscheiden met het Zilveren Kruis van de Virtuti Militari.
Op 11 augustus 1920 begon de bolsjewistische aanval op Warschau. Poolse divisies verdedigden wanhopig hun posities. Onder druk van de vijand moesten zij zich op sommige plaatsen terugtrekken, om daarna met tegenaanvallen verloren terrein te heroveren. Vooral slecht getrainde vrijwilligers raakten soms in paniek of verloren het overzicht in de chaos van de strijd. Twee Russische divisies rukten op richting Radzymin, braken door de Poolse verdediging en namen de stad in. Daarmee begon een dramatische strijd om de toegang tot de Poolse hoofdstad.
Op 12 augustus arriveerde in Skierniewice een belangrijk transport wapens en munitie uit Hongarije. Het ging om een enorme lading munitie, die via Roemenië naar Polen was gebracht. Deze hulp kwam op een cruciaal moment, vlak vóór de beslissende gevechten om Warschau. De route was moeilijk. Tsjechoslowakije weigerde officieel doorgang te verlenen aan Hongaarse hulp voor Polen. Ook Duitsland, de Vrije Stad Gdańsk en Oostenrijk maakten het transport van wapens naar Polen lastig of onmogelijk. Daardoor moest de hulp uit Hongarije via Roemenië worden vervoerd, ondanks de zwakke spoorverbindingen. Voor de Hongaren was de steun aan Polen niet alleen een politieke keuze, maar ook een kwestie van solidariteit. Zij hadden kort daarvoor zelf de ervaring gehad met een communistisch bewind en begrepen goed hoe groot de dreiging was. Daarom besloten zij een belangrijk deel van hun munitievoorraad aan Polen over te dragen. Het heroïsche verzet van soldaten en vrijwilligers aan de rand van Warschau was niet tevergeefs. Ten eerste wisten zij te voorkomen dat de bolsjewieken de hoofdstad binnendrongen. Ten tweede gaven zij Józef Piłsudski de tijd om een tegenaanval voor te bereiden.
Het Poolse tegenoffensief begon op 16 augustus 1920. Het werd persoonlijk geleid door maarschalk Piłsudski en was gericht tegen de flank van de bolsjewistische troepen die Warschau aanvielen. De snelheid van de Poolse opmars was indrukwekkend. Infanteristen met volledige bepakking legden in de hitte soms 40 tot 50 kilometer per dag af. Veel soldaten vielen flauw van uitputting. Ze werden op karren of treinwagons gelegd om even te kunnen rusten, waarna ze opnieuw naar hun eenheden terugkeerden. De verraste bolsjewieken begonnen zich naar het oosten terug te trekken. Duizenden krijgsgevangenen, geweren en kanonnen vielen in Poolse handen. De situatie aan het front veranderde radicaal. Nu waren het de bolsjewieken die zich moesten terugtrekken en probeerden te redden wat er nog te redden viel.
Charles de Gaulle, die als jonge Franse officier getuige was van deze gebeurtenissen, schreef later dat hij een overwinning had gezien die volledig en beslissend was. Van de Russische legers die Warschau hadden bedreigd, zou maar weinig terugkeren. Ondanks hun snelle vlucht werden zij door de Polen achtervolgd en van achteren aangevallen. Het werd duidelijk: Warschau was gered. De bolsjewieken zouden Polen niet bezetten, en hun opmars naar het westen was gestopt.

De geheime kracht van de Poolse radio
Aan de vooravond van het Poolse tegenoffensief, op 15 augustus 1920, wisten de Polen een Sovjetradiostation uit te schakelen dat werd gebruikt voor de communicatie met het commando in Minsk. Om te voorkomen dat het 4e Sovjetleger — een van de gevaarlijkste eenheden voor Warschau — nieuwe bevelen van frontcommandant Michail Toechatsjevski zou ontvangen, werd in de Citadel van Warschau een krachtige zender ingezet. Deze zender begon signalen uit te zenden op dezelfde golflengte als de Sovjetradiostations.
Omdat de Poolse zender dichtbij en sterk was, overstemde hij de zwakkere zender uit Minsk. Poolse militaire radiotelegrafisten werkten in ploegen en zonden gedurende lange tijd fragmenten uit de Bijbel uit. Daardoor werd de verbinding tussen het Sovjetcommando en het 4e Leger ernstig verstoord. Dit veroorzaakte veel chaos in de gelederen van de vijand. De strijd om Warschau werd een keerpunt in de oorlog. Eerst werd het offensief van het Rode Leger tot staan gebracht, daarna werd het gebroken en werden de Sovjettroepen gedwongen zich terug te trekken.
In september 1920 vond de tweede grote slag van deze oorlog plaats: de Slag aan de Niemen. Deze overwinning bevestigde het Poolse overwicht. Het Rode Leger was gedesorganiseerd en raakte steeds verder in chaos. De bolsjewieken zagen geen reële kans meer op een overwinning en stemden uiteindelijk in met een wapenstilstand. De pas herwonnen Poolse onafhankelijkheid was verdedigd.
De betekenis van de overwinning
Het verlies van Warschau zou waarschijnlijk hebben betekend dat Polen in een Sovjetrepubliek werd veranderd. Een groot deel van de Poolse elite zou zijn uitgeschakeld of onderdrukt, een vreemd politiek systeem zou aan het land zijn opgelegd en jaren van harde repressie zouden zijn gevolgd. Als Polen was gevallen, hadden de bolsjewieken de revolutie verder naar het westen kunnen uitbreiden. Ze hadden aansluiting kunnen zoeken bij de revolutionaire bewegingen in Duitsland, de orde van Versailles kunnen ondermijnen en de geschiedenis van Europa in een heel andere richting kunnen sturen.
In september 1920 erkende Lenin dat de nederlaag tegen Polen een zware slag was voor de bolsjewistische plannen. Later werd de Poolse overwinning vaak gezien als een gebeurtenis die de uitbreiding van de communistische revolutie naar West-Europa had tegengehouden.
Vanwege de grote gevolgen vergeleken sommige Fransen de Slag aan de Wisła met de Slag aan de Marne, die in 1914 Frankrijk had gered. De Britse diplomaat Lord Edgar D’Abernon noemde de Slag bij Warschau zelfs “de achttiende beslissende veldslag in de wereldgeschiedenis”. De verpletterende overwinning op het Rode Leger wordt vaak het Wonder aan de Wisła genoemd. Deze term werd in 1920 gebruikt door Stanisław Stroński. Oorspronkelijk wilde hij daarmee de dramatische en bijna hopeloze situatie van Polen benadrukken, maar na de overwinning kreeg de uitdrukking een heel andere, positieve betekenis.
In de Poolse geschiedenis zijn er maar weinig overwinningen waarbij niet alleen het leger en een uitstekend uitgewerkt operatieplan, maar ook zo’n groot deel van de samenleving een rol speelden. Soldaten, vrijwilligers, geestelijken, vrouwen, jongeren, arbeiders en boeren droegen allemaal bij aan de verdediging van het land.
Generaal Maxime Weygand verklaarde later dat de heroïsche Poolse natie zichzelf had gered. De herinnering aan het Wonder aan de Wisła liet een diepe indruk achter op het Poolse historische bewustzijn. Ze versterkte het beeld van Polen als verdediger van zijn eigen onafhankelijkheid én als belangrijk onderdeel van Europa. In latere jaren van oorlog, bezetting en onderdrukking bleef deze herinnering voor veel Polen een bron van kracht.