Lech, de oprichter van de staat van Polanie, ging tijdens zijn reis in de huidige stad Poznan overnachten. Dichtbij op een boom zag hij een reusachtig nest van een witte arend met twee kleine kuikentjes. Plotseling sloeg de arend zijn vleugels breed open om zijn kuikentjes te beschermen. Het was zonsondergang en Lech zag de arend op de achtergrond van een rode hemel. Dit majestueuze zicht vond hij zo betoverend dat hij besloot om daar te blijven wonen. De Witte adelaar met open vleugels op de rode hemel werd zijn wapen. De door Lech gestichte nederzetting werd Gniezno genoemd (gniazdo – betekent „het nest” in het Pools) en werd de eerste Poolse hoofdstad.
Volkslied
Melodie: auteur niet gekend, woorden: Józef Wybicki. Het originele volkslied had zes strofen, waarvan er nu slechts 4 gezongen worden.
Op een nacht in juli in het jaar 1797 in een paleis in Reggio nell’Emilia schreef Józef Wybicki een lied dat de soldaten van de Poolse Legioenen weer moed moest inspreken. De legioenen stonden onder leiding van Majoor Henryk Dabrowski. Het lied begon met de woorden: „Polen is nog niet dood, zolang wij leven...” op een melodie die toen populair was, een mazurka van de regio Podlasie.
Het lied „Mazurek Dąbrowskiego” kreeeg bijval bij de legioenen en werd ook bij latere veldslagen gebruikt en zelfs werd het vertaald in 17 talen en het inspireerde veel volksliederen van andere landen. (o.a. het toenmalige Joegoslavië).
Pas op 26 februari 1927 werd dit lied het officiële staatsvolkslied van de Poolse Republiek.
Het manuscript van de „Mazurka” verdween tijdens de Tweede Wereldoorlog. De bank in Berlijn, waar het door de erfgenamen van Wybicki werd bewaard, werd gebombardeerd en vermoedelijk werd het meegenomen naar Rusland.
In Bedomin ligt het Museum van het Volkslied, in een landhuis met lindebomen eromheen, de eigendom van Piotr Wybicki, de vader van Jozef. Met hem kwam een componist ter wereld.

Copyright © 2012 POT 
